Info Lipizzaner

Uiterlijk

De lippizanerpaarden zijn vaak schimmel/wit. Het hoofd is uitdrukkingsvol en regelmatig met een ramsneus (aflopend profiel in de neus).

De stokmaat/schofthoogte is tussen de 1,50 en 1,60 m. De hals is vrij hoog aangezet en geeft een sterke indruk. Het lichaam heeft een rond kruis en zware schouders. De staart is goed ingeplant en weelderig. De benen zijn kort en stevig, de voeten klein en uitstekend gevormd.

De paarden vertonen sprongen die vroeger als gevechtstechniek werden gebruikt.

Lipizzaner

Geschiedenis

De eerste lippizanerstoeterij is in 1580 gesticht door de Oostenrijkse aartshertog Karel van Oostenrijk. Hij kocht van de bisschop van Triëst het landgoed Lipica bij Sezana en verordonneerde de bouw van een stoeterij. Zijn doelstelling was om paarden voor de jacht, vechtkunst en fok te houden, vooral ten bate van zijn eigen residentie in Graz.

De bouw van de stoeterij omvatte ook het cultiveren van de ruwe karstgronden. Aarde werd aangevoerd uit de wijde omgeving om de stenige bodem op te vullen en vervolgens te bebossen. Wegens watergebrek werd een systeem voor regen- en dauwopvang ontwikkeld. De aankoop van de eerste paarden werd gedaan in Spanje in 1580. In de daaropvolgende jaren (1581, 1582 en 1584) werden ook paarden uit Italië en Palestina aangevoerd. Onder Karel van Oostenrijk werden 33 paarden gefokt.

Vanaf het begin van de 18e eeuw werden ook fokpaarden aangekocht uit andere landen. In 1701 het veulen Cordova, paarden uit Duitsland zoals Lipp, Arabische paarden en paarden uit de Deense koninklijke stallen in Frederikborg. Uit de geschiedenis van Lipica stiliseerden zich nog steeds bestaande zes lippizaner stamlijnen, die teruggaan op volgende stamvaders:

  • Pluto (* 1765) Deens grijs veulen uit Frederiksborg
  • Neapolitano (* 1790) Napolitaans bruin veulen
  • Conversano (* 1767) Napolitaans zwart veulen
  • Maestoso - (* 1773) Grijs veulen uit stoeterij Kladruby
  • Favory - (* 1779) Vaalgrijs veulen uit stoeterij Kladruby
  • Siglavy - (*1810) Grijs Arabisch veulen

In privé-stoeterijen werden de, ook erkende, hengstenlijnen Incitato en Tulipan gestart. Deze komen voornamelijk voor in Hongarije en Roemenië.

Gedurende verschillende oorlogen werden de paarden geëvacueerd. De eerste keer tijdens de napoleontische oorlogen in 1796 en later. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog werd het paardenbestand van Lipica overgebracht naar het Oostenrijkse Piber bij Köflach, mede onder invloed van de ontwikkelingen aan het westelijke Isonzofront. Na de Eerste Wereldoorlog keerde in het kader van de Oostenrijks-Hongaarse successie een deel naar het inmiddels door Italië bezette Lipica terug. Sinds de evacuatie van lippizaners uit Lipica naar Piber in 1915 worden er lippizaners gefokt.

Het zwaarst getroffen werden de lippizaners door de Tweede Wereldoorlog. De stoeterij Lipica lag aanvankelijk in Italiaans bezet gebied, maar vanaf de Italiaanse capitulatie in 1943 trokken de Duitsers in als nieuwe bezettingsmacht. Deze vervrachtten alle 179 paarden naar Hostoun u Horšovského Týna in Bohemen. Ook lippizanerpaarden uit het Oostenrijkse Piber, de Joegoslavische hofstoeterij Demir Kapija, de stallen van Dušanovo bij Skopje en uit Janow in Polen werden naar die bestemming afvervoerd. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog kwam Sezana, waaronder ook Lipica, onder Amerikaans gezag. De Amerikanen overhandigden het gehele archief van de stoeterij aan de voormalige Italiaanse bezetter en stuurden vrijwel alle paarden naar Piber in Oostenrijk. De oorspronkelijke stoeterij in Lipica kreeg eerst in 1947, met de invoering van de Vrije Zone Triëst, enkele paarden terug. Het waren er nog maar 11. Inmiddels is de stoeterij in Lipica weer van belang. Lippizaners worden ook gefokt in het Slowaakse Topolcianky, in Djakovo (Kroatië) en Szilvásvárad te Hongarije, verder ook in Roemenië en Bosnië en Herzegovina. Talrijke privé-stoeterijen houden zich eveneens bezig met de lippizanerfokkerij, onder meer in de Verenigde Staten en Zuid-Afrika, maar ook in West-Europa.

Het Sloveense leger zet lippizaners in voor protocollaire taken. De eenheid omvat 15 paarden.

Het ontstaan van het Lipizzanerras

In de XVIde eeuw ontstond een van de oudste Europese rassen: de Lipizzaner. Hij dankt zijn naam aan de Keizerlijke stoeterij van Lipizza, die door aartshertog Karel II van Oostenrijk (1540 - 1590) in 1580 werd opgericht ten noorden van Trieste op het plateau van de Karst, sinds de oudheid bekend voor het fokken van paarden. Men wilde er, zoals een oud geschrift vermeld "de beste paarden fokken voor het keizerlijke hof, ttz. zij die triomferen in elke selectie en de sterksten zijn die men vinden kan".

Het doel van die fokkerij was de prinselijke stallen van Graz en de spaanse rijschool van Wenen, opgericht in 1572, van hengsten te voorzien, waar oorspronkelijk spaanse paarden gebruikt werden uit de keizerlijke stoeterij van Kladrub in Bohemen. Vanaf de oprichting in Lipizza voerde Karel II 9 hengsten en 24 merries in uit Andalousie, vanwege hun speciale begaafdheid voor het werk in de rijschool. Deze paarden werden eerst gekruisd met inlandse merries die de eigenschappen van het antieke ras van Aquilea vererfd hadden, en die in de dorre streek rond Trieste gefokt werden. Het hof van Wenen, bekommerd om het ras te verbeteren, bleef tot in het begin van de XVIIIde eeuw spaanse paarden invoeren. Onder hen bevond zich ook de hengst Cordova, gekocht in 1701, die nakomelingen van uitzonderlijke waarde heeft voortgebracht.

In de daarop volgende jaren werd nieuw bloed ingebracht door Italiaanse hengsten uit de Po vlakte en uit Napels, Duitse hengsten van de stoeterij van Lippe-Buckeburg en denen uit de koninklijke stoeterij van Frederiksborg. Maar allen hadden ze een gemeenschappelijke spaans-arabische oorsprong. Onder de meest beroemden vermelden we: Generale (1710), Amico (1712), Lipp (1717), Danese (1718), Superbo (1722). Gedurende de regeringsperiode van Keizerin Maria-Theresia (1740-1780) werden de verschillende bloedlijnen duidelijk:

  • die van Pluto (wit), van spaanse oorsprong geboren in 1765 in de stoeterij van Frederiksborg
  • Conversano, napolitaner geboren in 1767
  • Maestoso (wit), spaanse oorsprong, geboren in 1773 in de stoeterij van Kladrub
  • Favory (rood schimmel) spaanse oorsprong, geboren in 1779, ook in de stoeterij van Kladrub
  • Neapolitano (bruin, napolitaner geboren in 1790

Teneinde het ras te verbeteren en te veredelen na de verdwijning van de eerste spaanse hengsten, ging men, van 1852 tot 1881, over tot de aankoop van oosterse hengsten: Soliman, Sultan (1768) en Morsu (1776).

Toch was het maar in 1816, door het verwerven door prins Schwarzenberg van de volbloedarabier (wit) Siglavy, geboren in 1810, dat een nieuwe bloedlijn ontstond. Die 6 bloedlijnen, waarvan elke Lipizzaner de naam nog draagt, vormt, met ongeveer 18 merrie families, de samenstelling van de nogal beperkte genetische basis van het ras.

Het is dank zij het bloed van de arabier, dat de witte huidskleur langzaam ontwikkeld werd. Zij werden als "keizerlijke paarden" beschouwd, naar het voorbeeld van Napoleon I, die een voorliefde had voor arabische paarden van deze kleur. Zo werd zij dus homogeen in het begin van de XIXde eeuw en vormt zij een der kenmerken van het ras. Nochtans fokt men op dit ogenblik ook nog steeds donkerbruine paarden.

Elke hengst draagt de naam van de bloedlijn van zijn vader, gevolgd door de naam van de moeder (bvb Maestoso Presciana) indien nodig wordt de naam gevolgd door een nummer: Siglavy Troja I, II enz...

Korte historiek van de fokkerij

Gedurende twee eeuwen ontwikkelde zich het Lipizzanerras,op de plaats van oorsprong, Lipizza, beschermd door de macht van de Habsburgers. De weersomstandigheden en de ruwheid van een rotsachtige bodem, zowel als de vooruitgang in de zoötechniek, droegen bij tot de kracht en de lange levensduur van de huidige Lipizzaner.

In de 18de eeuw telde de stoeterij van Lipizza driehonderd paarden. Zij werden beschouwd als de beste zadelpaarden en door hun doordringende kwaliteiten hadden zij een invloed op de fokkerij van de ganse Donaumonarchie. Vanaf 1722 kon de oorspronkelijkemerriestapel in Lipizza zelf gedekt worden. Dekhengsten werden gezonden naar de keizerlijke en koninklijke stallen van Babolna in Hongarije, Radautz in Bukovini, naar Piber in Styrie en naar Fogaros aan de grens van Transylvanië.

Helaas ontsnapte ook het Lipizzanerras niet aan de wisselvalligheden van de geschiedenis die voor hen begon met de veldslagen van Napoleon in 1797, 1805 en 1809. Tot driemaal toe moesten wegens de nadering van de franse troepen, de paarden uit de stoeterijen van Lipizza en Hongarije geëvaueerd worden. Enkelen bleven in de stoeterij Mezöhegyes, opgericht in 1785, waar zij de oorspronkelijke fokkerij vormden van de Hongaarse Lipizzaner, fokkerij die, sinds 1866 werd voortgezet in de stoeterij van Fogaras. Gedurende hun laatste vlucht verbleven de Lipizzaners 6 jaren te Recksa, aan de rand van de Maros. Zij hadden er te lijden van het klimaat en de samenstelling van de bodem, die anders waren als deze van de Karst. Gelukkig brak opnieuw een vredestijd aan die zij doorbrachten in Lipizza en waarin de fokkerij zich verder kon ontwikkelen en de doorstane negatieve invloeden vergoed werden. In 1861 begon men met de veulens te brandmerken. Dan brak de eerste wereldoorlog uit en oopnieuw werden op bevel van keizer Frans-Josef (1848-1916) al de paarden uit Lipizza geëvacueerd in mei 1915. De 300 paarden werden verdeeld tussen de keizerlijke stoeterij in Laxemburg bij Wenen en deze van Kladrub in Bohemen. Na de val van het Hongaars Oostenrijks keizerrijk in 1918 werd de streek van Trieste bij Italië gevoegd, dat de Lipizzaners opeiste. Na twee jaar werden onderhandelingen gevoerd om het deel van de paarden, gestald in Laxemburg, terug te krijgen. In 1920 werden 107 paarden aan Italië afgestaan uit de stoeterij van Lipizza. De eerste Oostenrijkse republiek behield 97 paarden waarbij naderhand nog deze uit de stoeterij van Radautz werden geveogd.

In november 1920 werden zij terug naar Piber overgebracht waar de fokkerij werd verder gezet volgens de regels van de oude Keizerlijke stoeterij van Lipizza, in enge samenwerking met de weense rijschool.

In 1921 richtte de Tsjechische staat, met 37 paarden uit Kladrub, de stoeterij van Topolcianky op. Maar tijdens de tweede wereldsoorlog kreeg dit ras de zwaarste tegenslagen te verduren en werd zelfs met uitsterven bedreigd.

Na de "Anschluss" van Oostenrijk in 1938 werd de stoeterij van Piver afhankelijk van het ministerie van landbouw van het "Reich". De weense rijschool werd gemilitariseerd en beheerd door de Wehrmacht. In 1939 nam Alois Podhajsky de leiding voer de ruiterafdeling onde de titel van Kommandeur. Op dat ogenblik had de grote duitse ritmeester, Dokter Gustav Rau (1879-1954), hippoloog met wereldfaam, een aanzienlijke macht. Zo besliste hij al de Lipizzaners uit de door Duitse troepen bezette landen in de stoeterij van Hostau, in Bohemen te verzamelen. Hij verhuisde in 1941 de stoeterij van Demir Kapia die toebehoorde aan het Yougoslavische koningshuis. In 1942 volgde Piber en in 1943 deze van Lipizza. Het geheel betrof 350 Lipizzaners.

Door het ondoordacht verkopen van paarden tijdens de laatste oorlogsjaren, werd hun aantal, vooral voor deze afkomstig uit Piber, sterk uitgedund.

In maart 1945, bij de nadering van het oostelijk front en de veelvuldige luchtaanvallen op Wenen, beslistte Kommandeur Podkajsky de paarden te evacueren, ondanks het verbod van de militaire gouverneur in Wenen. Deze vreesde dat door het vertrek van de Lipizzaners uit de Weense rijschool, gelegen in het midden van de stad, de reeds angstige bevolking de juiste situatie zou begrijpen. Ten koste van grote moeilijkheden bracht Pohajsky in maart 1945 het kostbare tuigwerk, de kunstwerken en archieven van de school, samen met 77 hengsten uit Wenen weg. Op die manier stelde hij het hem toevertrouwde patrimonium in veiligheid. Hij vond een onderkomen in Sint-Martin bij Ried. Op 7 mei 1945 vond in een weide een demonstratie van hogeschool dressur plaats. Deze werd historisch door het feit dat na afloop Kommandeur Podhajskyaan Generaal Georges Patton de bescherming vroeg van het Amerikaanse leger voor deze culturele Oostenrijkse instelling. Ook bereikte hij de terugkeer van de overgebleven Lipizzaners uit Hostau die gevaar liepen als oorlogsbuit in handen van de Russen te vallen. Een Amerikaanse gemotoriseerde colonne van het tweede regiment van de ruiterij, onder het bevel van kolonel Charles Reed, voerd uit de stoeterij Hostau in Tsjechoslovakije de overgebleven paarden weg. Zij doorkruisten gedurende 500 km de nog belegerde gebieden tot in Schwarzenberg in Beieren. Op die manier verzekerden zij het voortbestaan van de Lipizzanerfokkerij. Deze prestatie uit de lente 1945 inspireerde in 1962 Walt Disney, die er een zeer mooie film van maakte, getiteld "De grote thuiskomst".

In juni 1946 kreeg Lipizza (Yougoslavië) een deel van de Lipizzaners terug. Italië eiste echter een aantal van deze paarden op met dewelke zij in Monterotondo bij Rome, een stoeterij oprichten. Deze bestaat nog steeds. De paarden terug aan Oostenrijk toegewezen, werden in Amerikaanse zone ondergebracht, waar een voorlopige verblijfplaats wer gecreeërd in het kasteel van Winsbach op 20km van Wels.

De Spaanse rijschool van Wenen verbleef hier 10 jaren in ballingschap. Gebruik makend van de bij alkaar gelegen school en fokkerij, kwam kolonel Pohajsky tot verstandige resultaten in de fokkerij. Vele van deze producten blonken gedurende lange jaren in de Spaanse rijschool in Wenen uit, vanwege hun grote kwaliteiten. Hij stond erop deze school het prestige uit de tijd van de Habsburgers terug te geven. Hij reorganiseerde publieke presentaties waarvan ook de bezettingstroepen konden genieten. Hij gaf demonstraties in heel West-Europa en voor de eerste maal ook in Amerika, waardoor hij de Lipizzaner over de ganse wereld bekend maakte. Wanneer Oostenrijk bevrijd werd van zijn militaire bezetting dede de Lipizzaners, in oktober 1955, hun feestelijke intrede in Wenen. Daar vonden zij hun prachtig barok milieu terug: de rijschool van de Hofburg, opgericht in 1735 door Keizer Karel VI (1711-1740). De Lipizzanerfokkerij kon, in de herfst van 1952, eindelijk terug naar de stoeterij van Piber. Na enkele moeilijke jaren werd het beheer ervan in 1957 toevertrouwd aan Dokter H. Lehrner, onder wiens leiding in de loop van de jaren, de fokkerij een schoonheid bereikte die we op dit ogenblik nog steeds behouden. Zo eindigde de zwerftocht van de Lipizzaners.